Startpagina  
             
 
 

 

     

Spreekwoorden waarin het woord luizen voorkomt

·     Iemand erin luizen: iemand voor de gek houden, erin laten lopen.

  • Geen levende luis te bespeuren: er is niemand.
  • Hij wordt van de luizen opgevreten: hij zit vol ongedierte.
  • Een leven hebben als een luis op een zeer hoofd: een kalm, gemakkelijk leven.
  • Hongerige (magere) luizen bijten scherp: Met de armste lieden heeft men het meeste last.
  • Hij is zo kaal als een luis: Hij is zeer arm.  Er is niets meer bij hem te halen.
  • Hij heeft geen luis om dood te drukken: Hij is zeer arm.  Er is niets meer bij hem te halen.
  • Hij is uit de luizen: Hij is uit een netelige toestand gered.
  • Zo veeg zijn als een luis op een kam: In groot gevaar verkeren.
  • Zijn eigen luizen bijten hem: Hij wordt gekweld door hen die hij zelf kweekt en voedt.
  • Vertrek met je luizen: Pak je biezen.
  • Men behoeft geen luizen in de pels te zetten: je hoeft het kwaad niet uit te lokken, waar toch al genoeg neiging voor bestaat.
  • Er kan geen luis over zijn lever lopen: hij is heel snel geïrriteerd.
  • De luis aan de ketting: benaming voor een vuil en slecht logement.

Wat is een?

  • Luizenbaan: gemakkelijk baantje, waar op een gemakkelijke manier, in prettige omstandigheden veel geld mee kan worden verdiend.
  • Luizenleventje: gemakkelijk leventje, waarin alles vanzelf gaat.
  • Luizenstreek: gemene streek.
  • Een hongerige luis: een begerig mens.